Peak Experience go to PEX Adventures

Mechanismen achter sportverslaving

1. Sport en welzijn

Sport is ontworpen om het welzijn te bevorderen. Zoals Jackson en Csikszentmyhalyi (1999) het schreven: ‘We play sport, we don’t work sport’. Sport brengt ons de mogelijkheid om de spanning en stress van het dagelijks leven van ons af te schudden door volledige op te gaan in een andere, belonende, activiteit. Dat de rol van sport in de hedendaagse maatschappij enigszins veranderd is doet hier niets aan af, het percentage sporters dat sport als beroep is klein en de overgrote meerderheid van de mensen sport om een andere reden: het bevorderen van het psychische en fysieke welzijn. Maar is sport wel altijd zo gezond? Of zijn er ook nadelige effecten van veel sporten?

Redenen waarom mensen sporten verschillen uiteraard per individu, maar één van de belangrijkste redenen lijkt het psychologische effect te zijn dat sporten met zich meebrengt. Zo is er een verband tussen fysieke en mentale fitheid en welzijn, vermindert sporten stress, depressies en angststoornissen en verbetert sporten het zelfvertrouwen (Weinberg en Gould, 2007; Acevedo en Akkekekis, 2006; Ransford, 1982). Ook op lange termijn kan sporten bijdragen aan het welbevinden: zo is de gemoedstoestand van topsporters chronisch positiever dan de gemiddelde waarden van de bevolking. Morgan (1980; aangehaald in Weinberg en Gould. 2007) beschreef dit als een iceberg profile: Zo zouden topsporters hoger scoren op  ‘vigor’ (kracht) en lager op dimensies als depressie, angst, moeheid en verwarring. In vergelijking met de gemiddelde waarden uit de samenleving. Het positieve effect van sporten op gemoedstoestand is bij zowel gezonde mensen als psychiatrische patiënten aangetoond (Brosse et al., 2002; Meyer en Brooks, 2002; Martinsen en Morgan, 1997; allen aangehaald in Acevedo en Akkekekis, 2006). Sporten kan echter ook nog op andere wijze bijdragen aan het welzijn van mensen; zo beschrijven Weinberg en Gould (2007) een verhoogd gevoel van controle en competentie bij sporters en het feit dat sporters meer mogelijkheden tot positief sociaal contact hebben.

Sporten brengt dus een groot aantal positieve gevolgen met zich mee. Echter, elke medaille kent een keerzijde; zo lijkt sporten ook verslavend te kunnen werken. Deze verslaving aan sport wordt in de literatuur omschreven als ‘exercise dependence’ of ‘exercise addiction’; hier zal in dit paper verder naar worden gerefereerd als ‘sportverslaving’. Hoewel sportverslaving in de DSM-IV niet wordt erkend als een aparte vorm van verslaving, wordt het fenomeen in de literatuur wel uitgebreid beschreven. Sportverslaving kent in de psychologische literatuur twee vormen; primaire sportverslaving (het sporten om het sporten zelf en het effect dat dat met zich meebrengt) en secundaire sportverslaving (sportverslaving secundair aan een eetstoornis; Hausenblas  en Fallon, 2001). In dit paper zal voornamelijk aandacht worden besteed aan primaire sportverslaving. Sportverslaving kenmerkt zich door overmatig sporten, ontwenningsverschijnselen wanneer de atleet niet sport (na 24-36 uur), een verstoort psychologisch functioneren, sporten ondanks medische complicaties en het laten verstoren van persoonlijke relaties door de sport (Bamber, Cockerill, Rodgers en Carroll, 2000). Het is onbekend hoe vaak sportverslaving voorkomt, schattingen lopen uiteen van 2-3% tot 20-30% (Hamer en Karagheorgis, 2007).

In dit paper zullen de recente bevindingen en relevante theorieën over sportverslaving uitgebreid worden toegelicht. Er is gekozen voor een structuur waarbij zowel de relevante fysiologie als de relevantie psychologie van het sporten in diepte worden toegelicht. De fysiologische toelichting is onderverdeeld in een gedeelte over hormonen, neurotransmitters, endorfinen en een gedeelte cytokinen. Opeenvolgend worden ook de psychologische effecten van sporten toegelicht. Na de uitgebreide toelichting over de fysiologie en psychologie van het sporten volgt een uiteenzetting van de kenmerken van een verslaving, welke daarna direct worden toegepast op sporten.


2. Fysiologische veranderingen tijdens sporten

Over de fysiologische kant van sportverslaving is nog erg weinig bekend (Hamer en Karagheorgnis, 2007). In deze paragraaf zal worden geprobeerd aan de hand van recente wetenschappelijke literatuur een overzicht te geven van mogelijke biologische mechanismen die hierbij een rol spelen. In dit paper zullen daarom vier relevante systemen uit het lichaam worden belicht: hormonen, neurotransmitters, endorfinen en cytokinen. Hoewel deze systemen natuurlijk samenhangen (Chaouloff, 1993) en elkaar beïnvloeden, is voor de overzichtelijkheid is gekozen voor indeling per systeem.

 

2.1 Hormonen

Hormonen (meestal ingedeeld in steroïde of nonsteroïde hormonen) brengen chemische signalen over in het lichaam. Hormonen worden uitgescheiden door endocriene klieren en hechten aan op de zogenaamde target cellen (cellen met receptoren voor die specifieke hormonen) en brengen zo een reactie teweeg in het betreffende weefsel. De hormoonafgifte wordt grotendeels gecontroleerd via de HPA-as (hypothalamus, hypofyse en bijnieren). Onderstaand volgt een kort overzicht van de werking van de relevante hormonen bij het sporten en het effect van training hierop (waar geen verwijzing bij staat, komt uit Wilmore en Costill, 2004).

Groeihormoon (GH): zorgt voor groei van vrijwel alle weefsels, met name door een stimulans van de eiwitsynthese.  Een tekort hiervan leidt tot dwerggroei, een teveel leidt tot gigantisme waarbij vooral de lichaamsuiteinden groeien (neus, kaak, handen). GH waarden stijgen sterk tijdens acute training (Meeusen, Piacentini, Busschaert, Buyse, De Schutter en Stray-Gundersen, 2004; Chandler, Byrne, Patterson en Ivy, 1994). De spiegel van GH lijkt sterk afhankelijk van het volume van de training (Hoffman, Im, Rundell, Kan, Kioka, Spiering, Kime en Chance, 2003; Kraemer, Marchitelli, Gordeon, Harmon, Dziados, Mello, Frykman, McCurry en Fleck, 1999; beiden aangehaald in Hoffman, Ratamess, Ross, Shanklin, Kan en Faigenbaum, 2008) en mogelijk ook van inname van supplementen na de training. Zo lijkt een inname van koolhydraten en eiwitten de GH spiegel zes uur na de training te verhogen (Chandler et al., 2004). Bloedwaarden van GH in rust lijken niet te veranderen door training (Kraemer, Häkkinen, Newton, Nindl, Volek, McCormick, Gotshalk, Gordon, Fleck, Campbell, Putukian en Evans, 1999). Echter, metingen van GH moeten met enige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden aangezien de afgifte van dit hormoon golfsgewijs verloopt. De respons van GH vermindert bij eenzelfde mate van inspanning over tijd, meer inspanning is dan nodig voor dezelfde verhoging van GH.

Adrenocorticotrophine (ATCH): controleert de uitscheiding van de bijnierschorshormonen, waaronder cortisol. Meeusen et al. (2004) vonden een sterke stijging van ACTH bij acute inspanning. Dit werd ook gerapporteerd door Kraemer en collega’s (1999). De werking van ACTH vermindert bij eenzelfde mate van inspanning over tijd, intensievere inspanning is nodig om dezelfde respons van ACTH te krijgen.

Epinefrine (adrenaline): van belang voor het in stand houden van de glucosespiegel in het bloed via verhoogde glycogeen- en vetafbraak. Vergroot tevens bloedtoevoer naar de spieren en verhoogt de hartslag en zuurstofconsumptie. Het is het hormoon dat het meest wordt genoemd in verband met de ‘fight-flight’ reactie in het lichaam en de waarde van epinefrine stijgt dan ook tijdens training. Mogelijk gebeurt dit vanaf een bepaalde intensiteit, Wilmore en Costill (2004) noemen 50% van de VO2max (maximale zuurstofopname in liters per minuut) als ondergrens. De werking van epinefrine vermindert over tijd bij eenzelfde mate van inspanning, intensievere inspanning is nodig om dezelfde werking van epinefrine te krijgen. Dit werd in het verleden door Thompson en Blanton (1987) dan ook gezien als een mogelijke hoofdoorzaak van sportverslaving (de sympathetic arousal hypothesis).

Norepinefrine (noradrenaline): stimuleert vetafbraak, verhoogt bloeddruk via vaatvernauwing. Norepinefrinewaarden stijgen tijdens training, volgens Wilmore en Costill (2004) echter pas vanaf 75% VO2max. Dit werd echter niet gevonden door McMurray, Forsythe, Mar en Hardy (1987) die ook al een verhoging vonden vanaf 40% VO2max. De stijging van norepinefrinewaarden vermindert over tijd bij eenzelfde inspanning en ook norepinefrine speelt volgens Thompson en Blanton een rol in hun sympathetic arousal hypothesis. Van zeer (psychisch en fysiek) zware training over langere tijd is echter bekend dat ze de bloedwaarden van norepinefrine in rust kunnen verhogen (Gomez-Merino, 2003).

Cortisol: Vaak omschreven als het ‘stresshormoon’, een verhoging van cortisol ontstaat zowel door fysieke als door psychische stress. Cortisol is voornamelijk een katabool hormoon (afbrekend) en controleert metabolisme van koolhydraten, vetten en eiwitten. Cortisol werkt ook ontstekingsremmend. Tijdens training nemen de waarden van cortisol toe (Hoffman et al., 2008) en deze toename is afhankelijk van het volume van de training. Het trainingseffect op lange termijn van cortisol lijkt echter enigszins anders dan bij andere hormonen; de bloedwaarden van dit hormoon tijdens training worden door training op lange termijn mogelijk iets hoger (Wilmore en Costill, 2004). Echter, rustwaarden van cortisol worden mogelijk door training op langere termijn iets verlaagd (Kraemer et al., 1999).

Insuline: verlaagt glucosespiegel in het bloed door cellen toegankelijk te maken voor glucose. De waarden van insuline in het bloed volgt doorgaans de glucosespiegel van het bloed (Hoffman et al., 2008). Afgifte van insuline wordt minder over tijd bij eenzelfde mate van inspanning maar sporten heeft een positief effect op diabetes door een verbeterde binding van insuline aan de receptorcellen (Costill, 1985; Costill, 1986; beiden aangehaald in Wilmore en Costill, 2004).

Glucagon: verhoogt, in tegenstelling tot insuline, de glucosespiegel in het bloed, dit is van belang voor de homeostase tijdens inspanning. De afgifte van glucagon wordt minder bij eenzelfde inspanning over tijd.

Testosteron: anabool hormoon, helpt bij opbouw van bepaalde weefsels waaronder spierweefsel. Vergroot mannelijke kenmerken (beharing, zware stem). Bij onderzoek naar testosteronwaarden worden ook vaak waarden van DHEA (dehydroepiandrosteron) gemeten, een voorloper van testosteron in het lichaam die op zichzelf geen effect sorteert. Uit DHEA kan echter wel testosteron worden gesynthetiseerd. Training beïnvloedt testosteronwaarden: zo verhoogt acute training testosteronwaarden (Cadore, Lhullier, Brentano, Da Silva, Bueno Ambrosini, Spinelli, Silva en Kruel, 2008; Chandler et al., 1994, Kraemer et al., 1999), en deze verhoging lijkt in lijn met het volume van de training (Hoffman et al., 2008; Häkkinen, 1987, 1988; aangehaald in Ahtiainen, Pakarinen, Alen, Kraemer en Häkkinen) en intensiteit van de training (Cadore et al., 2008). Training op langere termijn lijkt de testosteronrespons echter niet te veranderen (Kraemer et al., 1999), maar hier is verdere studie noodzakelijk. De verschillen tussen getrainde atleten en ongetrainde mensen op lange termijn zijn tevens onderzocht maar bleken inconsistent (Cadore et al., 2008; Ahtiainen, Pakarinen, Alen, Kraemer, Häkkinen, 2003), een verhoging van basale testoseronwaarden op langere termijn lijkt echter onwaarschijnlijk (Ahtiainen et al., 2003; Izquierdo, Häkkinen, Ibanez, Garrues, Anton, Zuniga, Larrion en Gorostiaga, 2001; Kraemer et al., 1999). Andere factoren spelen mogelijk ook een rol bij de testosteronproductie. Zo lijkt bijvoorbeeld de voeding van belang: het innemen van een combinatie van koolhydraten en eiwitten na de inspanning zou zo de verhoging van testosteron verminderen door de opname hiervan te bevorderen, wat positief zou zijn voor de spiergroei (Chandler et al., 2004). Van een verhoogde opname wordt verondersteld dat deze gunstig is voor de anabole werking van het hormoon. Een onderzoek van Gomez-Merino (2003) bij militairen liet bovendien zien dat een trainingsregime over langere tijd waarbij zowel fysiek als psychisch veel van mensen gevraagd werd, negatief werkt op de testosteronspiegel (en DHEA waarden).

Thyroxine (T4) en triiodothyronine (T3): verhogen de stofwisseling in vrijwel alle cellen en zijn daarmee van groot belang voor de complete stofwisseling. Deze hormonen verhogen tevens de hartslag. Waarden van T4 en T3 nemen toe tijdens inspanning.

In tabel 1.0 volgt een korte samenvatting van de resultaten.

Tabel 1.0 Adaptaties van hormoonspiegels na acute en chronische training

Hormoon

Acute trainingsfase

Hormoonrespons bij langdurige training

Groeihormoon

Verhoogt in lijn met de intensiteit en volume van de inspanning

Een verminderde verhoging bij eenzelfde mate van inspanning

Adrenocorticotrophine (ACTH)

Verhoogt in lijn met de intensiteit van de inspanning

Een verminderde verhoging bij eenzelfde mate van inspanning

Epinefrine

Verhoogt in lijn met de intensiteit van de inspanning, mogelijk vanaf een bepaalde intensiteit (75% VO2max)

Een verminderde verhoging bij eenzelfde mate van inspanning

Norepinefrine

Verhoogt in lijn met de intensiteit van de inspanning, mogelijk vanaf een bepaalde intensiteit (50% VO2max)

Een verminderde verhoging bij eenzelfde mate van inspanning

Cortisol

Verhoogde waarden, mogelijk alleen bij zware inspanning

Mogelijk licht hogere waarden

Insuline

Verlaagt in lijn met de intensiteit van de inspanning

Verminderde verlaging bij eenzelfde mate van inspanning.

Glucagon

Verhoogt in lijn met de intensiteit van de inspanning

Verminderde verhoging bij eenzelfde mate van inspanning

Testosteron

Een lichte verhoging tijdens inspanning

Onduidelijk, mogelijk verminderde respons van testosteron

T3 en T4

Nemen toe in lijn met de intensiteit van de inspanning

Verhoogde T3 en T4 waarden bij eenzelfde mate van inspanning

Bron: informatie overgenomen uit Wilmore en Costill (2004)

Zoals tabel 1.0 laat zien gaan de waarden van de meeste hormonen tijdens de acute trainingsfase omhoog, maar vermindert dit effect wanneer de persoon meer getraind raakt. Enige voorzichtigheid bij het interpreteren van deze resultaten is echter wel gewenst; zo is het effect van training op hormoonspiegels  afhankelijk van een aantal factoren. Zo lijkt dit afhankelijk van de intensiteit van de inspanning: bloedwaarden van catecholaminen (epinefrine en norepinefrine) gaan mogelijk pas omhoog bij een inspanningsniveau boven de 50% van de VO2max (Wilmore en Costill, 2004). Een tweede punt dat van belang kan zijn voor de hormoonspiegel tijdens inspanning is de voeding; zo vonden Hoffman, en collega’s (2008) verhoogde waarden van GH en testosteron na een training bij een groep die een voedingssupplement (BCAA’s, creatine, taurine, caffeïne en glucuronolactone) had genomen in vergelijking tot een controlegroep. Dit kwam mogelijk tot stand doordat deze groep in staat bleek een iets groter trainingsvolume af te werken. Tevens vermoeden Costill, Dalsky en Fink (1978; aangehaald in Hoffman et al., 2008) een verhoogde afgifte van catecholaminen (epinefrine en norepinefrine) na inname van cafeïne bij een training. Een ander belangrijk punt, dat raakt aan de verslavende kant van sport, is de ontwikkelde sensitiviteit van het lichaam voor een hormoon. De werking van een hormoon wordt immers niet alleen bepaald door de mate waarin een hormoon aanwezig is, maar de mate waarin een hormoon kan binden aan een receptor (Wilmore en Costill, 2004). Een vierde punt dat aandacht verdiend is het feit dat hormoonrespons ook afhankelijk kan zijn van de fase waarin een sporter zich bevindt en de leeftijd van de sporter; zo heeft een overtrainde sporter een verminderde hormoonrespons (Meeusen et al., 2004) en heeft een oudere sporter over het algemeen een verminderde hormoonrespons (Kraemer et al., 1999). Een laatste punt dat gemaakt dient te worden is dat de verminderde stijging van hormoonspiegels bij getrainde atleten tijdens een training niet direct generaliseerbaar is naar de hormoonwaarden in rusttoestand. Veelal worden geen verschillen gevonden in hormoonwaarden in rust na langere trainingsperioden (Cadore et al., 2008; Athainen, Pakarinen, Alen, Kraemer en Häkkinen, 2003; Kraemer et al., 1999).

Samenvattend is het effect van de hormonen bij sport vrij ingewikkeld en zijn de resultaten soms inconsistent. Duidelijk is echter wel dat er op hormonaal vlak veranderingen plaatsvinden door training en dat de tendens lijkt te zijn dat er van veel hormonen een verminderde afgifte plaatsvindt bij een training wanneer de persoon die de training uitvoert meer getraind is. Voor eenzelfde hormonaal effect is zwaardere training dan noodzakelijk. Mogelijk biedt dit aanknopingspunten voor de verslavende werking van sport. Verder onderzoek naar de invloed van sporten op hormoonspiegels is zeer gewenst.

 

2.2. Neurotransmitters

Studies over de werking van neurotransmitters tijdens inspanning zijn zeer schaars, waarschijnlijk door de complexe metingen hiervan. In dit overzicht worden de mono-aminen (een groep neurotransmitters waarbij één aminozuurdeeltje is verbonden met twee koolstofdeeltjes) behandeld. Hiervan zijn bij inspanning volgens Meeusen (2006) dopamine, norepinefrine en serotonine het belangrijkst. Een korte samenvatting van de werking van de betrokken neurotransmitters staat hieronder, hierbij zal ook het effect van training op de neurotransmitters worden belicht.

Dopamine: dopamine is van belang voor het motorisch functioneren (Freed en Yamamoto, 1985; aangehaald in Acevedo en Ekkekakis, 2006). Dopamine is tevens van belang voor motivatie, geheugen, het ervaren van beloningen en aandacht (Meeusen, Watson, Hasegawa, Roelands en Piacentini, 2007; Volkow, Wang, Fowler, Logan, Gatley en Hitzemann, 1997). Dpoamine speelt ook een rol bij depressies (Ransford, 1982). Dopamine is dus een neurotransmitter met meerdere functies. Een bekend voorbeeld van de werking van dopamine op het motorisch functioneren is de inname van amfetamine (XTC) of cocaïne, waardoor de motorische activiteit sterk toeneemt. De huidige visie is dat dit wordt veroorzaakt door een verhoging van de dopaminespiegel in de caudate nucleus en de nucleus accumbens door het tegengaan van de heropname van dopamine (Freed en Yamamoto, 1985; aangehaald in Acevedo en Ekkekakis, 2006; Wilmore en Costill, 2004). Dopamine speelt tevens mogelijk een belangrijke rol bij vermoeidheid in het sporten (beschreven als de ‘central fatigue hypothesis’); hierbij speelt met name de ratio van serotonine ten opzichte van dopamine een rol. Een grote hoeveelheid serotonine in relatie tot dopamine zou de vermoeidheid bevorderen en de prestatie daardoor verminderen (Meeusen et al., 2007). Het verband tussen dopamine en sportprestaties werd recentelijk verder onderzocht door Roelands, Hasegawa, Watson, Piacentini, Buyse, De Schutter en Meeusen (2008). Een hogere hoeveelheid dopamine daarentegen lijkt de duurprestatie te kunnen verbeteren; toedienen van methylphenidaat (Ritalin, een middel dat de dopaminespiegel verhoogt) voor de training zorgde zo voor een betere duurprestatie dan toediening van een placebo. Dit effect werd echter alleen gevonden in warme omstandigheden (30 °C) en heeft er waarschijnlijk mee te maken dat de sporters die Ritalin kregen zich minder goed bewust waren van hun lichaamstemperatuur, die verder gestegen was dan bij de controlegroep. Van belang voor de werking van dopamine bij sportverslaving is het feit dat dopamine een grote rol in het beloningsgebied (dorsale striatum) van de hersenen (Volkow, Fowler, Wang en Swanson, 2004; Volkow en Li, 2005). Hierover volgt meer in de paragraaf vijf. Dopamine gaat tijdens acute training omhoog en blijft mogelijk hoger na langdurige training (Gomez-Merino, 2003).

Norepinefrine: is van belang voor het cardiovasculair functioneren, slaap, depressie en pijnervaring en stress (Acevedo en Ekkekakis, 2006). Norepinefrine lijkt ook een rol te spelen bij de ervaring van beloningen (Meeusen et al., 2007). Norepinefrine wordt tevens in verband gebracht met depressies, zo verminderen de in het verleden veel gebruikte antidepressiva (MAO-inhibitors) voornamelijk de afbraak van norepinefrine (Ransford, 1982). Tijdens inspanning nemen waarden van norepinefrine toe (Willmore en Costill, 2004; Meeusen, 2006; aangehaald in Acevedo en Ekkekakis, 2006; McMurray, Forsythe, Mar en Hardy, 1987; Dishman, 1982). Mogelijk verhoogt chronische training waarden van norepinefrine ook op langere termijn (Gomez-Merino, 2003; Brown en Huss, 1973; aangehaald in Dey et al., 1992).

Serotonine: een neurotransmitter die is betrokken bij de ervaring van pijn, moeheid, honger, slaap en depressies (Acevedo en Ekkekakis, 2006; Strüder, Hollmann, Platen, Wöstmann, Weicker en Molderings, 1998, Dey, Singh en Dey, 1998). Serotonine is vooral vaak belicht in het kader van activiteitspatronen (Chaouloff, 2000). Jacobs en Reuter (1995; aangehaald in Acevedo en Ekkekakis, 2006) vonden dan ook dat de hoeveelheid serotonine samengaat met de toestand waarin iemand verkeerd. Tijdens perioden van lage activiteit wordt serotonine mogelijk geblokkeerd (Jacobs, 1991; aangehaald in Acevedo en Ekkekakis, 2006). Serotonine wordt gezien als een neurotransmitter die slaperig maakt, de opwinding van neuronen vermindert, honger vermindert en bovendien een invloed heeft op het endocriene stelsel (Acworth, Nicolass en Morgan, 1986; Blomstrand, Celsing, Newsholm, 1988; aangehaald in Acevedo en Ekkekakis, 2006). Serotonine neemt toe tijdens training (Chennaoui, Drogou, Gomez-Merino en Guezennec, 2004; Strüder et al., 1998; Dey et al., 1992). Naast het uitputten van de energievoorraden van het lichaam (glucosespiegel van het bloed en glycogeenvoorraden in spieren en lever) wordt daarom ook serotonine vaak in verband gebracht met de vermoeidheid die ontstaat bij het sporten, dit is bekend als de central fatigue hypothesis. Echter, hierover bestaat nog geen concensus aangezien er ook studies zijn (Meeusen et al., 1996; aangehaald in Acevedo en Ekkekakis, 2006) waarbij wel verhoogde waarden werden gevonden van serotonine maar geen vermoeidheidsverschijnselen werden gezien. De reden hiervoor is hoogstwaarschijnlijk dat veranderingen in serotonine alleen geen adequate afspiegeling is van de vermoeidheidsgevoelens; de stofwisseling van andere stoffen moet hierbij ook worden meegenomen. Zo lijken veranderingen in het glucoseniveau van de hersenen samen te hangen met de veranderingen van serotonine in de hersenen;  waar de glucosespiegel weer omlaag gaat na zo’n anderhalf uur van inspanning, blijven de waarden van serotonine in de hippocampus dan juist nog een tijd stijgen (Bequet et al., 2001). Bovendien lijkt de ratio van serotonine ten opzichte van dopamine een rol te spelen bij vermoeidheid; hoe hoger de ratio van serotonine ten opzichte van dopamine, hoe groter de vermoeidheid (Davis en Bailey, 1997; aangehaald in Meeusen et al., 2007). Vermoeidheid van het zenuwstelsel kan dus niet eenduidige verklaard worden door te kijken naar serotoninespiegels in de hersenen; het glucosepeil van de hersenen lijkt hierbij ook van belang, net als de dopaminespiegel. Dat de relatie tussen serotonine en vermoeidheid bij het sporten complex is ondervonden Bequet en collega’s (2001) ook; aangezien lage glucosespiegels in het brein samengingen met hoge serotoninespiegels (en dus vermoeidheid), gaven zij ratten tijdens inspanning extra glucose om te kijken of dit de vermoeidheid uitstelde. De toediening van glucose zorgde hier echter juist voor een grotere toename van de serotoninewaarden in de hersenen en een grotere daling van de glucosewaarden. Bequet en collega’s verklaren dit door het feit dat een verhoogde insulinespiegel (welke tot stand komt door toediening van glucose) leidt tot een vergroting van de serotoninesynthese (Fernström en Wurtman, 1971; aangehaald in Bequet et al., 2001). Een onderzoek van Fernstrom (1983, aangehaald in Meeusen et al., 2007) onderstreept deze complexiteit eens te meer. Het toedienen van BCAA (Branced Chain Amino Acids) zou theoretisch moeten leiden tot lagere serotoninespiegels aangezien BCAA’s en serotonine met elkaar concurreren bij de opname. Desondanks werd een positief effect van BCAA’s op het de inspanningscapaciteit niet gevonden (van Hall, Raaymakers, Saris en Wagenmakers, 1995; aangehaald in Meeusen et al., 2007). Training lijkt op lange termijn de waarden serotonine te kunnen verhogen en de sensitiviteit van de receptoren voor serotonine te verhogen (Dey et al., 1992; Dey, 1992); dit verklaart mogelijk het antideprimerende effect dat sport kan hebben. Veel onderzoek naar het chronische effect van training op serotonine is echter uitgevoerd bij ratten. Verder onderzoek is hier daarom noodzakelijk.

Acetylcholine (ACh): Ook niveaus van ACh lijken te stijgen door inspanning. Zo rapporteren DeMeirleir, Naaktgeboren, Van Steirtegham, Gorus, Olbrecht en Block (1986; aangehaald in Goldfarb et al., 1987) een stijging van ACTH na training met hoge intensiteit. Bovendien bleek de stijging van ACh sterk samen te hangen (r = 0.80) met de stijging van β-endorfinen (zie volgende paragraaf voor meer informatie hierover). Deze samenhang tussen β-endorfinen en acetylcholine werd eerder ook al aangetoond door Wardlaw en Frantz, 1980; aangehaald in Colt, Wardlaw en Frantz, 1981). De stijging van ACh lijkt bovendien enigszins lineair te verlopen in relatie tot de intensiteit van de inspanning; wanneer de inspanning hoger wordt neemt het niveau van ACh ook meer toe (Farrell, Gates, Morgan en Maksud, 1982; aangehaald in Goldfarb, Hatfield, Sforzo en Flynn, 1987). Studies naar veranderingen van ACh na chronische training ontbreken en zijn gewenst.

Een samenvatting van de werking van de genoemde neurotransmitters tijdens inspanning wordt hieronder gegeven in tabel 2.0.

Tabel 2.0 Adaptaties van neurotransmitterwaarden na acute en chronische training

Neurotransmitter

Acute trainingsfase

Effect van langdurige training

Dopamine

Waarden nemen toe

Waarden nemen mogelijk toe

Norepinefrine

Waarden nemen toe

Waarden nemen mogelijk toe

Serotonine

Waarden nemen toe  (o.a. afhankelijk van glucosespiegel)

Waarden nemen waarschijnlijk toe, mogelijk verandert ook sensitiviteit receptoren

Acetylcholine

Waarden nemen toe

Onduidelijk

 

Ook bij de interpretatie van het onderzoek naar neurotransmitters is voorzichtigheid geboden. De complexiteit van de metingen zorgt ervoor dat causale verbanden vaak moeilijk zijn te trekken. Bovendien is het tot noch toe onmogelijk gebleken metingen van neurotransmitterconcentraties te verrichten in de synaps, de plek waar deze werkzaam zouden moeten zijn. In plaats daarvan wordt voorlopig extracellulaire vloeistof gebruikt. Bovendien is het overgrote merendeel van de onderzoeken uitgevoerd bij ratten en niet bij mensen. Een derde punt is dat de veranderingen in de hoeveelheid neurotransmitters die gedragsveranderingen zoals sporten met zich meebrengen vaak veel minimaler (20-50% ten opzichte van de baseline) zijn dan de veranderingen die door medicijnen (100-500% ten opzichte van de baseline) teweeg gebracht worden. Resultaten uit onderzoeken die medicatieve interventies (dopamine, serotonine) gebruiken zijn daarmee niet direct verenigbaar met resultaten van studies die sport gebruiken, ondanks dat het over dezelfde neurotransmitters gaat. Een vierde punt is dat, hoewel sporten over het algemeen leidt tot een verhoging van de meeste neurotransmitters, dit vaak pas gebeurt vanaf een bepaalde ‘intensity treshold’ (Meeusen, Piacentini, DeMeirleir, 2001; aangehaald in Acevedo en Ekkekakis, 2006). Dit is vergelijkbaar met de eerder gerapporteerde verhoging van catecholaminen die pas plaats vindt bij een inspanningsniveau boven de 50% van de VO2max. Bovendien maakt de duur van de inspanning waarschijnlijk veel uit; zo bleek bij ratten een grotere samenhang tussen de duur van de inspanning en dopamineniveaus dan tussen de intensiteit van de inspanning en het dopamineniveau. Een inspanning van lange duur (60 minuten) leidde tot een hogere dopaminespiegel in de hersenen dan een inspanning van korte duur (20 minuten), zelfs wanneer de intensiteit hiervan lager lag (Meeusen, 2003; aangehaald in Acevedo en Ekkekakis, 2006). Bequet (2001) vond een vergelijkbaar resultaat over serotonine; serotoninespiegels in de hersenen stegen pas significant na 60 minuten inspanning. Een overig punt is dat, naast metingen van neurotransmitters zelf, ook metingen kunnen worden verricht naar de precursors (stoffen waaruit neurotransmitters later worden gemaakt) worden verricht. Zo is het aminozuur tryptofaan de precursor van serotonine en het aminozuur tyrosine de precursor van (o.a.) norepinefrine.

Samenvattend is het zeer waarschijnlijk dat ook de waarden van neurotransmitters veranderen door training. Mogelijk biedt deze observatie een aanknopingspunt naar de verslavende werking van sport. De schaarste van het onderzoek, mede veroorzaakt door het feit dat onderzoek naar neurotransmitters tijdens het sporten erg moeilijk is, zorgt er echter voor dat er nog geen harde conclusies aan verbonden kunnen worden.

 

2.3 Endorfinen

Endorfinen zijn (poly)peptiden die in het lichaam werken als neurotransmitter. Endorfinen zijn vooral bekend door de pijnstillende werking en euforie die ze met zich meebrengen; het woord ‘endorfine’ is dan ook afgeleid uit endogeen (intern) en morfine. Endorfinen worden voornamelijk geproduceerd in de ventromediale arcuate nucleus en hierna door de pijnappelklier aan de bloedstroom afgegeven (Leuenberger, 2006; Colt, Wardlaw en Frantz, 1981).

Wat voor werking hebben endorfinen precies? Endorfinen lijken gerelateerd aan de perceptie van pijn, de ventilatie, het endocrien functioneren en de gemoedstoestand (Goldfarb, Hatfield, Sforzo en Flynn, 1987). Endorfinen zijn ook betrokken bij de menstruele cyclus (Goldfarb, Jamurtas, Kamimori. Hedge, Otterstetter en Brown, 1998). Vooral het effect op de gemoedstoestand maakt dat endorfinen veel zijn onderzocht. Janal, Colt, Clark en Glusman (1984; aangehaald in Goldfarb et al., 1987) rapporteerden zo een toename van vreugde, euforie, coöperatie en geweten na het hardlopen. Het toedienen van Naloxone (vermindert de werking van endorfinen) leidde tot een afname van de vreugde en euforie. De genoemde resultaten over endorfinen zijn echter niet éénduidig, er zijn ook studies die deze effecten niet vonden (Grossman, Bouloux en Price, 1984; aangehaald in Goldfarb et al., 1987).

Wat is het effect van training op endorfinespiegels? De meeste studies geven aan dat endorfine in grotere mate voorkomt na inspanning (Goldfarb et al., 1987; Goldfarb et al., 1998; Berk, Tan, Anderson en Reiss, 1981; Colt, Wardlaw en Frantz, 1981; McMurray, Forsythe, Mar en Hardy, 1987; Farrell, 1985; Angelopoulos, 2001; Doiron, Lehnard, Butterfield en Whitesides, 1999), dit effect is gevonden voor zowel maximale inspanning (Berk et al., 1981; Doiron et al., 1999) als voor submaximale inspanning (Colt et al., 1981; Farrell, 1985; aangehaald in Leuenberger, 2006) en lijkt hetzelfde voor vrouwen als mannen (Goldfarb, Jamurtas, Kamimori, Hegde, Otterstetter en Brown, 1998). Er zijn bovendien veel verschillende soorten inspanning gebruikt bij onderzoek (gewichtheffen, hardlopen, roeien etc.) waardoor het interpreteren van de resultaten soms ingewikkeld is. Een onderzoek van Goldfarb et al. (1987) diende dan ook om te onderzoeken of de stijging van endorfineniveaus lineair samenhangt met de intensiteit van de training en of deze stijging van de endorfineniveaus gemoedsveranderingen met zich meebrengt. Goldfarb en collega’s vonden weliswaar verhoogde niveaus van β-endorfine gevonden na inspanning, maar konden door de sterke individuele verschillen geen lineair verband aanwijzen tussen inspanningsintensiteit en β-endorfineniveaus. Desondanks lijkt er wel een verband te bestaan tussen intensiteit van de oefening en de niveaus van β-endorfine; zo vonden Goldfarb et al. (1998) alleen toegenomen endorfinespiegels bij een intensiteit van 80% VO2max en niet bij 60% VO2max. Mogelijk komt dit door de hogere stijging van lactaat in het bloed bij 80% VO2max training; een stijging van lactaat gaat immers vaak samen met een stijging van enforfineniveaus (DeMeirleir, Naaktgeboren, Van Steirteghem, Gorus, Olbrecht en Block, 1986; aangehaald in Goldfarb et al., 1998). Ook McMurray en collega’s (1987) zien de verhoging van endorfinen in lijn met de intensiteit van de oefening; de verhoging vond bij deze onderzoekers voornamelijk plaats wanneer de intensiteit zo hoog was dat er veel anaerobe inspanning (80% VO2max) werd geleverd. Endorfineniveaus lijken, althans bij getrainde sporters, na een training wel een aanzienlijke tijd hoog te blijven. Zo vonden Golland, Evans en Stone (1999; aangehaald in Smith en Yancey, 2003) dat endorfineniveaus vierentwintig uur na de inspanning nog steeds verhoogd waren.

Relevant om verder te vermelden is verder het feit dat hoewel Goldfarb en collega’s aantoonden dat de β-endorfineniveaus door inspanning waren gestegen, er niet noodzakelijk veranderingen waren in de gemoedstoestand. Een direct lineair verband tussen endorfineniveaus en gemoedstoestand kan dus niet worden getrokken;  hoogstwaarschijnlijk zijn endorfinen slechts deels verantwoordelijk voor het positieve gevoel wat veel sporters na het sporten ervaren. Een mogelijke oorzaak van het gebrek aan lineaire verbanden is bovendien het feit dat de mate waarin endorfineniveaus reageren op inspanning sterk individueel verschilt. DeMeirleir, Naaktgeboren, VanSteirtegham, Gorus, Olbrecht en Block (1986; aangehaald in Goldfarb et al., 1987) rapporteerden daarom ook dat individuen konden worden ingedeeld in slow responders (mensen bij wie de endorfineniveaus pas laat stijgen bij inspanning) of rapid responders (mensen bij wie het endorfineniveau meteen stijgt als ze beginnen met trainen). De resultaten van Goldfarb en collega’s lijken een dergelijke indeling te bevestigen.

Als endorfineniveaus tijdens acute training omhoog gaan, blijven deze dan chronisch hoger als een sporter veel sport? De invloed van chronische training op endorfineniveaus is weinig onderzocht., waarschijnlijk doordat dit een zeer uitgebreide studie met zich meebrengt. Heitkamp, Schmid en Scheib (1996; aangehaald in Goldfarb et al., 1998) rapporteerden verhoogde rustwaarden van β-endorfinen bij getrainde vrouwelijke marathonlopers in rust in een vergelijking met een controlegroep. De stijging van endorfinen bij inspanning was bij de getrainde groep echter ook geringer dan bij de controlegroep. Een recent onderzoek van Smith en Yancey (2003) werpt echter meer licht op de zaak; deze onderzoekers lieten twee groepen ratten 6 weken alleen in een kooi doorbrengen. De experimentele groep kreeg hierbij 6 weken lang training op een hardloopwieltje, de controlegroep niet. Toedienen van opiaten bij de twee groepen ratten gaf te zien dat de getrainde ratten hier minder gevoelig voor waren; kennelijk had de training gezorgd voor een mindere sensitiviteit van de receptoren voor de endorfinen. Smith en Yancey trekken daardoor de conclusies dat chronische training hetzelfde effect kan hebben op receptoren als chronische inname van opiaten, waardoor verslaving een logisch gevolg is.

Samenvattend kan gesteld worden dat inspanning in veel gevallen endorfineniveaus verhoogd, de mate waarin lijkt echter sterk bepaald door individuele verschillen, type van inspanning (intensiteit, lactaat) en getraindheid. Onderzoek naar het effect van chronische training op endorfineniveaus is zeer schaars, maar lijkt te wijzen op een wat verminderde sensitiviteit van endorfinereceptoren, waardoor de sporter harder zal moeten sporten voor eenzelfde ervaring.

 

2.4 Cytokinen

Ook cytokinen zijn recentelijk belicht in het kader van sportverslaving. Cytokinen zijn proteïnen die een rol spelen bij het afweersysteem. In de literatuur worden deze proteïnen meestal beschreven als ‘immunotransmitters’; stofjes die boodschappen tussen het immuunsysteem en de hersenen overbrengen (Hayley, Merali en Anisman, 2003; Maier en Watkins, 1998). Er zijn veel soorten cytokinen en er worden dan ook een heleboel functies aan cytokinen toegeschreven. Zo worden verhoogde niveaus van cytokinen worden dan ook gevonden wanneer iemand zenuwschade of een infectie heeft, maar ook wanneer een persoon aan stress lijdt. Van belang voor dit paper is het feit dat van bepaalde cytokinen ook wordt verondersteld dat ze invloed uitoefenen op het endocriene stelsel het en centrale zenuwstelsel en een rol spelen bij depressies (Hamer en Karagheorgis, 2007; Haley et al., 2003).

De cytokine die het meest onderzocht is in verband met de mogelijke invloed op sportverslaving is interleukine-6 (Hamer en Karagheorgis, 2007). Interleukine-6 (IL-6) is een cytokine waarvan bekend is dat deze een invloed uitoefent op de gemoedstoestand en het gedrag via het centrale zenuwstelsel en het endocriene stelsel. Van IL-6 is tevens bekend dat het in grote hoeveelheid vrij komt bij spiercontracties en in hogere mate circuleert in het lichaam na een training (Pedersen, Steensberg, Fischer, Keller, Keller, Plomgaard, Febbraio en Saltin, 2003). IL-6 lijkt tijdens training nog sterker te stijgen wanneer de glycogeenvoorraden van in het lichaam laag zijn (Keller, Steensberg en Pilegaard, 2001; aangehaald in Hamer en Karagheorgis, 2007). Effecten van IL-6 op de psyche zijn recentelijk een aantal keer onderzocht. Zo vonden Spath-Swalbe, Hansen en Schmidt (1998) dat een injectie me IL-6 de hormoonspiegels van ACTH en cortisol verhoogden en dat proefpersonen die deze injectie kregen zich minder goed konden concentreren dan de controlegroep. Bovendien veranderde het slaappatroon bij de experimentele groep en steeg de lichaamstemperatuur. Reichenberg, Yirmiya en Schuld (2001) vonden een stijging van angst en depressieve gevoelens na een injectie met een toxine die zorgde voor een verhoging van IL-6 en cortisol.

De gezamenlijke effecten van IL-6 worden in de literatuur ‘sickness behaviour’ genoemd. De toestand die hierbij hoort is volgens Hamer en Karagheorgis (2007) vergelijkbaar met de toestand waarin verslaafde sporters zich bevinden wanneer zij niet mogen sporten. In hun artikel (2007) stellen zij dan ook een model voor waarin IL-6 een centrale rol speelt bij sportverslaving. Hamer en Karagheorgis stellen dat, hoewel het sporten zelf positief affect met zich meebrengt, dit ook meteen de fysiologische en psychologische disbalans veroorzaakt door een overmatige stijging van IL-6. Deze overproductie van IL-6 zorgt, na afname van de ‘rush’ die sporten met zich meebrengt, voor een negatievere toestand wanneer de sporter niet sport, waardoor de sporter zich genoodzaakt voelt zijn negatieve toestand weer op te heffen (door te sporten). Hierdoor belandt de sporter in een vicieuze cirkel waarbij hij/zij als het ware in essentie een verkeerde strategie heeft aangeleerd om de negatieve toestand op te heffen.


3. Psychologische veranderingen door sport

Naast de fysiologische veranderingen tijdens het sporten brengt sporten ook psychologische veranderingen teweeg. Grotendeels zijn deze positief en Weinberg en Gould (2007) beschrijven dan ook een aantal van deze positieve psychologische ontwikkelingen door het sporten: sporters kunnen zo een verhoogde perceptie van controle ervaren, zich meer competent voelen, meer positieve sociale interacties hebben en ontwikkelen een beter zelfbeeld en meer zelfvertrouwen. De psyche speelt echter, naast de bovenbeschreven fysiologie, ook een belangrijke rol bij sportverslaving (Hausenblas en Symons Down, 2002a; aangehaald in Edmunds, Ntoumanis en Duda, 2006). De recente bevindingen over de psychologie van sportverslaving zullen hieronder kort worden beschreven. Om de overzichtelijkheid te bewaren is gekozen voor een indeling in drie paragrafen: persoonlijkheidskenmerken, de invloed van (type) motivatie op sportverslaving en sport als affectregulatie.

 

3.1 Persoonlijkheidskenmerken

Sommige persoonlijkheidskenmerken lijken gerelateerd aan sportverslaving. Zo vonden Hausenblas en Symons Downs (2002b, aangehaald in Edmunds et al., 2006) dat perfectionisme mogelijk een rol speelt. Perfectionisme gaat immers samen met het stellen van hoge doelen voor jezelf (Hagan en Hausenblas, 2003) en, in het geval van sporten, het streven naar het ideale lichaam voor je doelen. Sporters die perfectionistisch zijn hebben daarom mogelijk een grotere kans op sportverslaving dan sporters die dit niet zijn. Een onderzoek van Hagan en Hausenblas (2003) diende daarom om te onderzoeken of mensen met sportverslaving over het algemeen meer perfectionistisch zijn dan mensen zonder deze verslaving. Bij een groep van negenenzeventig studenten werd een aantal vragenlijsten afgenomen, waaronder de Perfectionism Subscale (Garner, 1991) en de Exercise Dependence Scale (Hausenblas en Symons Down, 2002, zie bijlage 1). Deze groep werd daarna ingedeeld in een groep met veel en een groep met weinig symptomen van sportverslaving. De groep met veel symptomen bleek in vergelijking tot de groep met weinig symptomen een hogere mate van perfectionisme te bezitten. Ook Hausenblas en Symons Down (2002) vonden dat mensen die meer symptomen vertoonden van sportverslaving ook meer perfectionistisch waren dan mensen met minder symptomen. Ook Kuennen en Waldron (2007) vonden een resultaat in deze richting: sporters die perfectionistisch waren scoorden hoger op de subschaal ‘exercise dependence’ van de MDI (Muscle Dysmorphia Inventory; Lantz, Rhea en Cornelius, 2002; deze schaal meet de mate waarin een persoon overmatig streeft naar hypertrophie). Samenvattend lijkt perfectionisme bij te dragen aan sportverslavingen, maar kunnen harde conclusies over oorzaak en gevolg kunnen hier nog niet aan worden verbonden. Het is zo onduidelijk of mensen sportverslaafd raken door hun perfectionisme, of dat zij dit perfectionisme ontwikkelen door hun sportverslaving. Meer onderzoek in deze richting is gewenst.

Globale persoonlijkheidsdimensies zoals de vijf dimensies van Eysenck (Eysenck Personality Inventory; Eysenck en Eysenck, 1964; aangehaald in Hausenblas en Giacobbi, 2004) zijn tevens onderzocht in relatie tot sportverslaving. Zo vonden Hausenblas en Giacobbi (2004) een positief verband tussen neuroticisme (angst, droevigheid, impulsiviteit), extraversie (assertiviteit, activiteit, praatgraag) en sportverslaving. Tevens werd een negatief verband gevonden tussen ‘agreeableness’ (altruïstisch, sympathiek) en sportverslaving. Costa en McRae (1990; aangehaald in Hausenblas en Giacobbi, 2004) geven aan dat iemand met een hoge score op neuroticisme een beperkte impulscontrole heeft, slecht met stress kan omgaan en vaak irrationele beslissingen maakt. Hausenblas en Giacobbi verbinden hieraan de conclusie dat deze mensen mogelijk sporten om met hun ‘stress’ om te gaan. Ook extraversie bleek positief te correleren met sportverslaving, dit is in lijn met eerdere onderzoeksresultaten naar extraversie en sportverslaving (Davis en Fox, 1993). Hausenblas en Giacobbi verklaren deze correlatie door te kijken naar de kenmerken van die bij extraversie horen (actief, energetisch, houden van opwinding). Echter, een onderzoek van Mathers en Walker, 1999) vond geen verhoogde mate van extraversie bij verslaafde sporters in vergelijking tot niet verslaafde sporters. Zij vonden echterwel dat sporters over het algemeen meer extravert waren dan mensen die niet sporten. Meer onderzoek hiernaar zal nodig zijn. De bevinding dat ‘agreeableness’ negatief correleerde met sportverslaving kan op meerdere manieren worden verklaard. Een lage mate van ‘agreeableness’ gaat vaak samen met egocentrisme, sceptisch zijn over de mening van anderen en een hoge mate van competitiviteit. Hausenblas en Giacobbi stellen hypothetisch dat deze hoge mate van competitiviteit kan leiden tot het excessieve sportgedrag, maar meer onderzoek is hier noodzakelijk. Bovendien lijkt het sterk de vraag in hoeverre zulke ‘brede’ dimensies in de praktijk een rol kunnen spelen bij het voorspellen van of behandelen van sportverslaving. Desalniettemin geeft het onderzoek van Hausenblas en Giacobbi wel een kijk in de typische geest van de verslaafde sporter.

Ook de persoonlijkheidstrek narcisme is in verband gebracht met sportverslaving. Een studie van Leask (1997, besproken in Basson, 2001) vond zo een hogere mate van narcisme bij ervaren hardlopers (minimaal een halve marathon gelopen) en sporters die veel aan aerobics deden (minimaal 3-5 keer in de week) dan bij een controlegroep. Ook Spano (2001) vond dat narcisme samenhing met de mate waarin iemand fysiek actief was. Kuennen en Waldron (2007) daarentegen vonden geen verband tussen narcisme en ‘muscle dysmorphia’ (het overmatig streven naar hypertrophie, sportverslaving speelt hier een rol bij). Narcisme is mogelijk een factor bij sportverslaving, maar dit lijkt niet in alle gevallen zo te zijn. Meer onderzoek is hier nodig.

Obsessief compulsief gedrag lijkt ook een rol te spelen bij sportverslaving (Davis, Brewer en Ratusny, 1993; aangehaald in Hagan en Hausenblas, 2003; Spano, 2001). Sachs en Pargman (1997, aangehaald in Basson, 2001) suggereerden zo dat compulsieve individuen zich aangetrokken voelen tot sport door de routine die dit met zich meebrengt en het feit dat sporten een zekere controle met zich meebrengt met betrekking tot uiterlijk, gemoedstoestand en functioneren. Ook Spano (2001) vond een positief verband tussen obsessief compulsief gedrag en de mate van toewijding aan het sporten.

Van bepaalde sporten is bekend dat ze gunstig zijn voor het zelfvertrouwen. Zo is fitness (trainen met gewichten) regelmatig in deze context onderzocht en bleek dit ten goede te komen aan het zelfvertrouwen (Tucker, 1983; Tucker, 1987; Brown en Harrison, 1986; allen aangehaald in Hurst, Hale, Smith en Collins, 2000). Tevens is bekend dat bij mannen (tussen de 18 en 30 jaar althans) de mate van gespierdheid die zij hebben ten opzichte van iemand anders een rol speelt bij hun zelfvertrouwen (Olivardia, Pope, Borowiecki en Cohane, 2004). Smith, Hale en Collins (1998; aangehaald in Hurst et al., 2000) leek het daarom waarschijnlijk dat sommige sporters beginnen met bodybuilding om hun zelfvertrouwen te verbeteren, maar later afhankelijk worden van bodybuilding om hun zelfvertrouwen hoog te houden. Smith en collega’s ondersteunen deze hypothese met de bevinding dat bodybuilders vaak hoger scoren dan andere sporters (gewichtheffers en fitnesstrainers) op schalen die fysieke zelfperceptie meten. Mogelijk speelt ook de sociale support die een persoon ontvangt in de sportschool een rol bij het behouden van dit zelfvertrouwen. Hurst et al. (2000) vonden in hun onderzoek dat ervaren bodybuilders meer sociale support kregen in de sportschool. De sportschool kent zo een eigen omgeving, en naarmate een sporter meer gevorderd raakt krijgt hij hierin vaak meer waardering. Ook dit zou kunnen bijdragen aan het ontwikkelen van een sportverslaving, maar meer onderzoek is hard nodig aangezien de meeste informatie hypothetisch van aard is.

Een negatieve perceptie van het eigen lichaam lijkt mogelijk ook een rol te kunnen spelen bij sportverslaving (Lantz, Rhea, Mayhew, 2001; aangehaald in Kuennen en Waldron, 2007). Mensen die niet tevreden zijn over hun eigen lichaam zouden dit dan opvangen door overmatig te sporten. Hausenblas en Symons Down (2002) vonden dit resultaat echter niet, maar dit komt mogelijk door fouten in de onderzoeksopzet aangezien er vanuit werd gegaan dat verslaafde sporters gewicht zouden willen verliezen en dit niet altijd het geval hoeft te zijn (fitness, gewichtheffen etc.). Een onderzoek van Davis en Fox (1993) gaf echter ook aan dat dit verband niet direct logisch is; in hun onderzoek bleken excessieve sporters gemiddeld een grotere tevredenheid met hun lichaam te rapporteren en een grotere focus op hun lichaam dan niet excessieve sporters. Ook Hurst en collega’s (2000) lieten zien dat sportverslaving juist een positief verband met het lichaamsbeeld kan hebben; in hun onderzoek waarbij zowel ervaren als minder ervaren bodybuilders werden meegenomen als een aantal gewichtheffers bleken de ervaren bodybuilders het meest sportverslaafd maar ook het minste last te hebben van ‘social physique anxiety’ (de mate waarin iemand angstig wordt als iemand anders hun lichaam evalueert). Samenvattend lijkt sportverslaving juist samen te gaan met een positiever beeld van het eigen lichaam. Mogelijk draagt het in stand willen houden van dit positieve beeld bij aan de verslavende werking, maar meer onderzoek is hier noodzakelijk.

Een aantal intrapersoonlijke psychologische factoren is belicht in relatie tot sportverslaving. Er lijkt een verband te bestaan tussen de persoonlijkheidskenmerken perfectionisme, neuroticisme en extraversie. Ook obsessief compulsief gedrag en narcisme hebben zo mogelijk een relatie tot sportverslaving. Een negatieve perceptie van het eigen lichaam lijkt geen oorzaak, sportverslaving gaat juist vaak samen met een positieve perceptie van het eigen lichaam.

 

3.2. Type motivatie en sportverslaving

Ogles, Masters en Richardson (1995; aangehaald in Edmunds et al., 2006) zien de motivatie om te sporten als één van de belangrijkste antecedenten voor sportverslaving. In lijn hiermee deden Edmunds en collega’s (2006) onderzoek naar Self-Determination Theory (SDT; Ryan, 1985) en sportverslaving. SDT voorspelt dat motivaties verschillen in de zin dat deze soms autonoom (self determined, uit vrije wil) zijn, en soms gecontroleerd (niet vrijwillig, bepaald door omgeving of interne druk). Op basis van deze tweedeling zijn er drie typen motivaties te onderscheiden: intrinsieke motivatie, extrinsieke motivatie en ‘amotivatie’ (geen motivatie). Deze drie vormen van motivatie liggen op een continuüm van autonomie, waarbij intrinsieke motivatie een hogere autonomie heeft dan extrinsieke motivatie. Extrinsieke motivatie echter, wordt onderverdeeld in vier typen, afhankelijk van de mate waarin de motivatie ‘geïnternaliseerd’ is door de persoon. Volgens SDT internaliseren mensen extrinsieke motivaties namelijk omdat deze op bepaalde gebieden (sociaal) voordelig zijn. Hierdoor ontstaan vier typen extrinsieke motivatie: ‘external regulation’ (motivatie door beloning van buitenaf), ‘introjection’ (waarbij iemand gemotiveerd wordt door een interne druk om iets te doen), ‘identified regulation’ (motivatie komt voort uit het zelf zien van de voordelen van het gedrag) en ‘identified regulation’ (meest geïnternaliseerde variant van extrinsieke motivatie waarbij mensen gemotiveerd raken omdat het vertoonde gedrag onderdeel van hun zelfbeeld is geworden). Vooral ‘introjected regulation’ lijkt een rol te spelen bij sportverslaving (Morgan, 1979; aangehaald in Edmunds et al., 2006; Bamber, Cockerill, Rodgers en Carroll, 2000 ). Welke motivatie iemand heeft hangt volgens SDT weer af van de mate waarin drie psychologische basisbehoeften zijn vervuld: autonomie, verbondenheid (relatedness) en competentie. Hier komen we wederom op het gebied van sportverslaving, want een non-optimale vervulling van deze behoeften kan leiden tot psychopathologie (Ryan en Deci, 2000; aangehaald in Edmunds et al., 2006).

Samenvattend kan ook het type motivatie dat iemand heeft een rol spelen bij sportverslaving. Zo lijkt het gevoel te ‘moeten’ sporten (interne druk) van belang bij sportverslaving. Mogelijk is dit weer afhankelijk van een non-optimale vervulling van basisbehoeften, maar hiervoor is verder onderzoek noodzakelijk.

 

3.3 Affectregulatie en sport

Tomkins (1968; aangehaald in Hamer en Karagheorgis, 2007) zag in sporten een vorm van affectregulatie. Hij creëerde hierin twee categorieën: de ‘negatieve’ sporter (die sport om van negatieve gevoelens af te komen) en de ‘positieve’ sporter (die sport om positieve gevoelens te krijgen). Deze stelling is ondertussen redelijk onderbouwd; zo vond Johnsquard (1985; aangehaald in Hamer en Karagheorgis, 2007) dat angst- en depressiereductie één van de belangrijkste motieven was om hard te lopen bij ouderen die vaak hardliepen. Ook Anshel (1991; aangehaald in Hamer en Karagheorgis, 2007) rapporteerde een dergelijk effect; de dertig ‘verslaafde’ hardlopers beschreven stressreductie als belangrijk motief om te gaan lopen. Dit werd niet gevonden bij dertig niet verslaafde lopers. Anshel vond verder dat de verslaafde sporters zich meer rusteloos en gestrest voelden dan de niet verslaafde sporters vóór het sporten, deze groep ervoer echter ook meer blijheid en afname van stress na het sporten. Problematisch is hier meer het feit dat de sportverslaafden zich veel depressiever, gestrest en angstig voelden wanneer ze een training misten.

Het affectregulerende effect van sporten komt tevens duidelijk naar voren in studies die verslaafde sporters een tijdje niet laten sporten. Zo vonden Berlin, Kop en Deuster (2006) een toename van moeheid, depressieve symptomen en negatieve gemoedstoestand (waaronder schuld) wanneer sporters (die minimaal drie keer per week dertig minuten aerobe inspanning verrichten) één week niet sportten. Verslaafde sporters voelen mogelijk ook meer pijntjes, moeheid en negatieve veranderingen in de gemoedstoestand wanneer zij een week of langer niet sporten (Glass, Lyden, Petzke, Stein, Whalen, Ambrose, Chrousos en Clauw, 2004). Morris, Steinburg en Sykes (1990; aangehaald in Hamer en Karagheorgis, 2007) vonden tevens een toename van slapeloosheid bij getrainde sporters die een week niet mochten sporten. Ook Mondin, Morgan, Piering, Stegner, Stotesberry, Trine en Wu (1996) onderzochten sporters (die zes tot zeven dagen in de week minimaal 45 minuten sportten). In hun onderzoek werden sporters vijf dagen in de gaten gehouden en van deze vijf dagen mochten ze alleen de eerste en laatste dag sporten. In de dagen ertussen namen Mondin en collega’s dagelijks vragenlijsten af en vonden dat deze sporters na 24-48 uur al onthoudingsverschijnselen ervoeren; zo werd de gemoedstoestand negatiever, ervoeren de sporters meer spanning, angst, depressie en verwarring. Al deze symptomen namen weer af nadat de sporters weer hadden gesport op de laatste dag.  Een zeer recent onderzoek van Kop, Weinstein, Deuster, Whittaker en Tracey (2008) gaf tevens aan dat sporters (minimaal drie keer in de week 30 minuten) onthoudingsverschijnselen ervaren wanneer ze daarmee stoppen. Ook hier werd de gemoedstoestand van deze sporters negatiever en voelden de sporters zich moeër in vergelijking tot een controlegroep. Interessant aan het onderzoek van Kop en collega’s is dat zij tevens onderzochten of de negatieve veranderingen die deze experimentele groep ervoeren samenhingen met ‘inflammatory markers’ (waaronder Interleukine-6, zie paragraaf 2.4 Cytokinen). Waarden van deze stoffen bleken echter niet verhoogd bij de experimentele groep en Kop en collega’s zien dan ook geen verband tussen deze stoffen en de ervaringen van de sporters.

Samenvattend kan gezegd worden dat sporten zeker van belang lijkt voor het reguleren van emoties. Vooral verslaafde sporters lijken sporten echt nodig te hebben om in een positieve gemoedstoestand te blijven. Hoewel sporten zeker de capaciteit heeft om de gemoedstoestand chronisch te verbeteren, wordt dit mogelijk anders wanneer iemand een verslaving ontwikkeld en wordt de sporter op affectief vlak afhankelijk van het sporten.

Concluderend kan gezegd worden dat sportverslaving naast een fysiologische oorzaak ook zeker psychologische oorzaken kent. De schrijver wil hierbij benadrukken dat deze twee niet per se als onafhankelijke systemen kunnen worden gezien; psychologie en fysiologie beïnvloeden elkaar wederzijds.

 

4. Kenmerken van een verslaving

Om de brug te slaan tussen de bovengenoemde fysiologie en psychologie naar sportverslaving is het noodzakelijk een duidelijk beeld te hebben van wat een verslaving inhoudt. Hoewel de DSM-IV sportverslaving nog niet erkend als een aparte vorm van verslaving, kunnen hiervoor de algemene richtlijnen voor (middelen)verslaving worden gebruikt. Vragenlijsten over sportverslaving zijn hier vaak ook op gebaseerd, bijvoorbeeld de veel gebruikte Exercise Dependence Scale (Hausenblas en Symons Down, 2002, zie bijlage 1).

De criteria voor een verslaving volgens de DSM-IV staan hieronder.

1.       Tolerance: de behoefte aan een steeds grotere prikkel voor hetzelfde psychologische effect.

2.       Withdrawal: ontwenningsverschijnselen bij het stoppen van de activiteit.

3.       Intention effect: de activiteit wordt vaak meer gedaan dan vooraf was gepland.

4.       Lack of Control: de persoon mist controle over hoe vaak de activiteit wordt vertoond.

5.       Time: veel tijd gaat op aan het (voorbereiden van-) de activiteit

6.       Reduction in other activities: activiteiten op andere gebieden (sociaal, werk etc.) leiden onder de activiteit waar de persoon verslaafd aan is.

7.       Continuance: de persoon continueert het gedrag ondanks de fysieke/psychische problemen die dit met zich meebrengt.

Bij een positieve diagnose op minimaal drie van de zes dimensies kan een persoon volgens de DSM-IV als ‘verslaafd’ worden gediagnosticeerd.

 

5. De verslavende werking van sport

Een groot aantal oorzaken is al in verband gebracht met verslaving en er bestaat geen consensus over welke factoren nou precies zorgen voor een verslaving. Het aanwijzen van de definitieve oorzaak van sportverslaving ligt dan ook niet binnen de mogelijkheden van de schrijver en zal niet geprobeerd worden. Wel zal deze paragraaf kort toelichten hoe de bovenbeschreven fysiologische en psychologische factoren mogelijk van belang zijn bij het ontwikkelen van een sportverslaving. Allereerst zal de kritieke rol van het brein bij sportverslaving worden toegelicht, hierbij zal de indeling worden gebruikt die in voorgaande paragrafen ook is gebruikt (hormonen, neurotransmitters, endorfinen, cytokinen). Hierna zal ook kort de psychologische kant van verslavingen worden besproken.

Hormonen lijken een belangrijke rol te spelen een rol bij verslavingen (Koob en Le Moal, 2008; Lovallo, 2006). Koob en Le Moal (2008) beschrijven zo een chronische disregulatie van hormoonwaarden door verslaving.  De werking van de HPA-as zou zo veranderen wanneer iemand in een onthoudingsfase zit waardoor een negatieve gemoedstoestand ontstaat; waarden van ACTH en cortison (ook een steroïd hormoon uit de bijnierschors) stijgen hierbij. Dit is gevonden voor alle belangrijke drugsverslavingen (Koob en Le Moal, 2005; Kreek en Koob, 1998; beiden aangehaald in Koob en Le Moal, 2008). Ook waarden van norepinephrine gaan tijdens een onthoudingsfase mogelijk omhoog, veelal wordt dit geassocieerd met de ervaring van stress (Koob en Le Moal, 2008). De hormonale processen bij een verslaving lijken grotendeels te worden bepaald door de afgifte van CRH (corticotrophin releasing hormone; Kiefer en Wiedemann, 2004). Dit hormoon staat voornamelijk in verband met de ervaring van stress. Bovendien lijken ook niveaus van cortisol in het lichaam te worden verminderd wanneer een verslaafde stopt met zijn ‘belonende’ gedrag (Kiefer en Wiedemann, 2004). In tegenstelling tot dopamine lijken de genoemde hormonen dus onderdeel van aan ‘antibeloningssysteem’; een systeem in het lichaam dat er voor zorgt dat een bepaalde gedraging juist niet beloond wordt door een negatieve en/of stressvolle gemoedstoestand te creëren (Koob en Le Moal, 2008). In de visie van Koob en Le Moal spelen bij de fysiologische kant van verslavingen zowel dit beloningssysteem (met name dopamine, endorfinen) als het antibeloningssysteem mee (cortison, ACTH, norepinephrine).

Neurotransmitters zijn de laatste jaren erg in trek bij het verklaren van verslavingen. Hiervan is dopamine (en de werking hiervan binnen het ‘beloningssysteem’ in de hersenen; de nucleus accumbens in het striatum) mogelijk het meest bekend aangezien hierover net een aantal artikelen in de krant heeft gestaan (NRC Handelsblad). Dopamine speelt een belangrijke rol bij verslavingen (Volkow en Li, 2005; Hamer en Karagheorgis, 2007; Kreek, Schlussman, Bart, LaForge en Butelman, 2004; Koop en Le Moal, 2008) en een aantal verslavende middelen sorteren hun werking dan ook via dopamine (MDMA, cocaïne, alcohol). De mate van genot (‘rush’) die het middel met zich meebrengt lijkt af te hangen van de hoeveelheid dopamine die er in relatief korte tijd vrijkomt en niet van de chronische waarden van dopamine (Volkow et al., 2004). Zo rapporteerden McKim (2003), Kalivas en Volkow (2005) en Hyman (2005; allen aangehaald in Leuenberger, 2006) het vrijkomen van dopamine in relevante hersengebieden (ventrale tegmentale regio en nucleus accumbens) wanneer een verslaafde zijn ‘drug’ tot zich nam. Met het oog op verslaving is interessant dat Volkow, Wang, Fowler, Logan, Gatley, Hitzemann, Chen, Dewey en Pappas (1997) lieten zien dat cocaïneverslaafden een verminderde stijging van dopamine in het striatum (nucleus accumbens, beloningscentrum) lieten zien dan niet verslaafden. Dit bleek tevens in de ‘rush’ die zij ervoeren, verslaafden ervoeren een mindere rush dan niet verslaafden. Hier komt de dimensie ‘tolerance’ uit de DSM-IV duidelijk naar voren, een verslaafde zal zijn inname moeten verhogen wil hij/zij dezelfde effecten behalen. Mogelijk heeft sporten (door de verhoging van dopamine) ook een positief effect bij MDMA-verslaafden; zo vonden Chen, Kuo, Liao, Jen, Huang, Cherng, Su en Yu (2007) dat muizen die een 12-weeks hardloopprogramma hadden gevolgd veel minder interesse toonden in MDMA dan muizen die geen hardloopprogramma hadden gevolgd. Chen en collega’s stellen daarom dat hardlopen mogelijk de ‘belonende’ werking van MDMA vermindert. Ook alcohol lijkt de werking van dopamine op termijn te kunnen verminderen (O’Brien, 2007); zo werd een verminderde beschikbaarheid van D₂-receptoren (bepaalde receptoren voor dopamine) gevonden bij net afgekickte alcoholverslaafden. Dit werd ook gevonden bij cocaïneverslaafden. Een mogelijk hiervoor is dat de verhoogde niveaus van dopamine bij regelmatig alcohol- of cocaïnegebruik het aantal receptoren in het ventrale striatum (beloningssysteem in de hersenen) vermindert, waardoor een grotere dosis nodig is voor dezelfde ‘positieve’ ervaring. Echter, de verklaring dat de verslaafden juist verslaafd zijn doordat ze zo weinig D₂-receptoren hebben is ook mogelijk; oorzaak en gevolg zijn hier nog niet duidelijk. Een aanwijzing voor de richting van dit effect komt van Tsukada, Kreuter, Maggos en Unterwald (1996, aangehaald in Kreek et al., 2004) die ratten gedurende twee, zeven of veertien dagen doses cocaïne gaven. Na veertien dagen hadden de D₁ en D₂ receptoren minder capaciteit gekregen om aan dopamine te binden. Dergelijke resultaten zijn ook bij mensen gerapporteerd (Volkow, Fowler, Wang, Hitzemann, Logan, Schlyer, Dewey en Wolf, 1993;  aangehaald in Kreek et al., 2004; Volkow et al., 2004). Het lijkt erop dat een verhoging van dopamine dus een verminderde sensitiviteit van de receptoren met zich mee kan brengen, onderstaande afbeelding 1.0 (overgenomen uit Volkow et al., 2004) laten dit ook duidelijk zien.

Afbeelding 1.0 De verminderde sensitiviteit van dopamine-receptoren door verslaving

 * Plaatjes laten een verminderde respons zien van methylphenidaat (dopamineverhogend middel) in het ventrale striatum van het brein (links) en een verminderde sensitiviteit van dopamine D₂-receptoren bij zowel cocaïne-, methamphetamine-, heroïne- als alcoholverslaving (rechts).

 

Naast dopamine worden ook andere neurotransmitters in verband gebracht met verslavingen, hoewel de onderzoeken hiernaar geringer zijn. Vaak blijkt echter dat verslavingen niet door de aanpassing van één stof te verklaren zijn. Zo is de huidige visie dat nicotine zijn verslavende werking sorteert via zowel acetylcholine, dopamine, GABA en endorfinen. Alcohol zou tevens naast de werking op dopamine ook een effect hebben op GABA-receptoren en dit is ook gevonden voor cocaïne en amphetamine (Koob en Le Moal, 2008). Samenvattend kan gezegd worden dat de chronische inname van middelen die neurotransmitters verhogen op termijn zorgen voor een verminderde werking hiervan, waarschijnlijk via een mindere beschikbaarheid van receptoren hiervoor. Aangezien sporten ook zorgt voor een verhoging van een aantal neurotransmitters, lijkt het aannemelijk dat deze een rol spelen bij sportverslaving.

Naast neurotransmitters lijken ook endorfinen een rol te spelen bij verslavingen (O’Brien, 2007; Hamer en Karagheorgis, 2007; Leuenberger, 2006; Kreek et al., 2004; Koob en Le Moal, 2008; Kiefer en Wiedemann, 2004). Endorfinen zouden zelfs een eigen effect hebben op het beloningssysteem dat niet bepaald wordt door dopamine. Koob (1992; aangehaald in Koob en Le Moal, 2008) liet zo zien dat ratten nog massaal heroïne en alcohol tot zich namen ondanks de blokkade van dopaminereceptoren. Koob verklaart dit door aan te geven dat dit nog steeds wel belonend werkt via het endorfinesysteem. Endorfinen spelen waarschijnlijk ook een rol bij menselijke verslavingen; zo vonden Oswald en Wand (2004; aangehaald in Leuenberger, 2006) een positief effect van de inname van alcohol op endorfineniveaus. Oswald en Wand relateren dit tevens aan een genetische predispositie voor verslavingen, endorfineniveaus in rust zijn namelijk sterk individueel verschillend (de ‘opioid deficit hypothesis’ genoemd) waardoor alcoholconsumptie voor sommige mensen (met lage endorfinewaarden) meer beloning met zich meebrengt dan voor anderen. Dit werd bevestigd in een onderzoek van Gianoulakis, Krishnan en Thavundayil (1996; aangehaald in O’Brien, 2007) waarin werd gevonden dat mensen met familieleden van alcoholici lagere rustwaarden van endorfinen hadden dan mensen zonder dergelijke familieleden. Bovendien reageerde de groep met alcoholverslaafde familieleden met een grotere endorfineverhoging bij een testdosis alcohol. Ook bij heroïneverslaving lijkt het endorfineniveau in de hersenen een rol te spelen, Kreek et al. (2004) lieten zo zien dat heroïneverslaafden een lager niveau van endorfine hebben dan niet-verslaafden.

Onderstaande afbeelding 2.0, overgenomen uit Koob en Le Moal (2008), dient ter verduidelijking van de bovengenoemde processen over hormonen, neurotransmitters en endorfinen.


Afbeelding 2.0 (A en B) laat zien dat na inname van een drug de betrokken stoffen in het beloningssysteem (dopamine, endorfine, GABA, glutamaat) stijgen, waardoor de gemoedstoestand verbetert. Dit gebeurt sterker bij een niet verslaafd persoon dan bij een verslaafd persoon. Na deze stijging komt het antibeloningssysteem in actie (stijging van hormoonwaarden als corticotrophin releasing factor, norepinefrine etc.) waardoor de gemoedstoestand verslechterd. Duidelijk is te zien dat een niet verslaafde een grotere positieve bijdrage van de drug aan zijn gemoedstoestand ervaart en een kleinere negatieve bijdrage in vergelijking tot de verslaafde. Afbeelding C laat zien wat de inname van een drug doet tijdens een onthoudingsfase, en afbeelding D laat dit zien bij een verslaafde die al langere tijd van de drugs af is (herstel van de normale reactie).

De cytokinen zijn voorlopig nog weinig belicht in het kader van verslavingen. Een aantal studies geven wel aan dat cytokinen een rol kunnen spelen bij alcoholverslavingen; zo zou de serumwaarde van IL-6 een paar dagen na onthouding van alcohol bij verslaafden stijgen (Gonalez-Quintela, Dominguez-Santalla, Pèrez, Vidal, Lojo en Barrio, 2000; aangehaald in Nicolaou, Chatzipanagiotou, Tzivos, Tzavellas, Boufidou en Liappas, 2004).

De genoemde psychologische factoren dragen mogelijk bij aan de verslavende werking van sport. Zo  is het niet ondenkbaar dat een verslaafde sporter door veel te sporten zijn/haar perfectionisme en/of narcisme tot uitdrukking kan laten komen. Ook de verhoging van zelfvertrouwen door sporten lijkt verslavend te kunnen werken; zoals Hurst et al. (2000) beschreven komt de verhoging van het zelfvertrouwen deels door de prestaties en erkenning hiervan in de sportschool. Blijven sporten (en in die sociale omgeving blijven) is dan mogelijk noodzakelijk om dat zelfvertrouwen te behouden. Het feit dat sporten ook affectregulerend werkt raakt nog directer aan de verslavende kant van sport; de sporter zal immers fysieke en psychologische ontwenningsverschijnselen willen voorkomen (affectregulatie) door weer te gaan sporten.

Samenvattend kan gesteld worden dat verslavingen op fysiologisch vlak gekenmerkt worden door een disregulatie van alle drie de genoemde systemen (hormonen, neurotransmitters, endorfinen). Hoewel de beschreven mechanismen tijdens verslaving voornamelijk afkomstig zijn uit onderzoek naar drugsverslaving, suggereren Koob en Le Moal (2008) dat bij andere verslavingen een vergelijkbaar mechanisme een rol speelt aangezien er ook vergelijkbare symptomen zijn. Ook op psychologisch vlak lijken de genoemde factoren bij te dragen aan de verslaving. De verslaafde sporter komt zo door te sporten in een negatieve spiraal terecht: sporten geeft een verbetering van de gemoedstoestand maar is tegelijkertijd de oorzaak van de verslechtering van deze gemoedstoestand op langere termijn.

 

6. Conclusie

Sportverslaving lijkt een reëel fenomeen en verdient, zoals Cumella (2005) al betoogde, meer aandacht. Het feit dat enkele auteurs sportverslaving beschrijven als een ‘positive addiction’ en het daarmee niet erkennen als een probleem lijkt dan ook een scheve redenering. Het feit dat sporten over het algemeen gezond is impliceert immers niet dat een verslaving aan sport dit ook is. Inherent in de definitie (en metingen) van een verslaving is het feit dat deze verslaving problemen met zich meebrengt (ontwenningsverschijnselen, reductie van andere activiteiten, gebrek aan controle over de activiteit). Bagatelliseren van het concept sportverslaving omdat het slechts om ‘sporten’ gaat lijkt dus niet geoorloofd. Reden te meer om sportverslaving te erkennen als een aparte variant van verslavingen.

 

Schrijver: Rens ter Weijde (sport- en prestatiepsycholoog)